Worminfecties bij rundvee

Over worminfecties bij rundvee, en het ontwormen van met name jongvee is al veel bekend. Toch doet iedereen het op zijn manier, of misschien wel helemaal niet! We hebben een aantal speerpunten op een rij gezet over zowel maag/darmwormen als longwormen.

Maagdarmwormen

Kalveren besmetten zich met maagdarmwormen zodra ze naar buiten gaan. Vanaf 3 weken na het naar buiten gaan, scheiden ze eieren uit met de mest. Omdat de beginbesmetting altijd laag is, veroorzaakt deze besmetting de eerste maand(-en) nog geen belangrijke groeivertraging.

Hoe later kalveren naar buiten gaan, hoe minder ze zich besmetten. Dit wordt versterkt door de wei, waarop de kalveren naar buiten gaan, eerst te maaien.

Alle weiden waarop vorig jaar runderen gelopen hebben, zijn besmet. Kalverweiden zijn echter zwaarder besmet dan pinkenweiden. Koeienweiden zijn altijd licht besmet.

Pas in juli kunnen weiden gevaarlijk worden. Er moeten dan wel dat zelfde seizoen kalveren of (minder gevaarlijk) pinken op de wei gelopen hebben.

Het patroon is dus

  1. kalveren besmetten zich bij het naar buiten gaan.
  2. vanaf 3 weken later deponeren ze via hun mest wormeieren op de wei.
  3. vanaf (begin) juli herbesmetten de kalveren zich met de larven die uit de eieren zijn ontwikkeld.
  4. en vanaf eind juli kunnen de kalveren ziek worden.

 

Gemaaide (etgroen) of niet eerder dat jaar door jongvee beweide, óf door koeien, schapen of paarden beweide percelen zijn in de zomer veilig of zelfs schoon. Als hierop ’s zomers kalveren komen, die niet met een wormmiddel behandeld zijn, blijft dit land tenminste 3 weken veilig. Daarna is het besmet en moeten de kalveren verweid worden.

Bovenstaande betekent dat een verweiding in juli naar gemaaid land óf dat jaar niet eerder door kalveren of pinken beweid land een belangrijke maatregel tegen maagdarmwormziekte is.

In droge zomers wordt het weiland pas gevaarlijk als het gaat regenen.

Weilanden die in de loop van het weideseizoen besmet zijn, omdat daar onbehandelde kalveren of pinken hebben gelopen, blijven gedurende de rest van het seizoen besmet.

Hoe vroeger kalveren worden opgestald, des te minder kans op een zware wormbesmetting.

Er zijn boli (of bolussen) die bij het naar buiten gaan aan de kalveren kunnen worden gegeven. Gedurende de werkingsduur van deze boli komen er vrijwel geen wormeieren op de wei. Hierdoor blijft de standwei (waarvoor de boli ontwikkeld zijn) veilig tot het eind van het weideseizoen.

Een vergelijkbaar effect wordt bereikt met wormmiddelen met een werking van enkele weken, wanneer toegediend bij het naar buiten gaan en opnieuw 6-10 weken later (met een totale werkingsduur van enkele maanden, afhankelijk van het wormmiddel).

Wanneer u de kalveren regelmatig naar veilige of schone percelen verweid, is gebruik van deze langwerkende systemen geldverspilling. Kalveren die na 1 juni worden toegevoegd aan een groep kalveren met een bolus, behoeven zelf bij toevoeging géén bolus te krijgen.

Indien u bovenstaande sleutel tot de bestrijding van maagdarmworminfecties bij kalveren opvolgt, IS EEN BEHANDELING MET EEN WORMMIDDEL BIJ OPSTALLEN NIET NODIG.

Het is niet uitgesloten dat de besmetting juist heel laag is geweest, zodat er onvoldoende weerstand is opgebouwd. In dat geval kunnen maagdarmwormen (ernstige) groeivertragingen veroorzaken in het tweede weideseizoen.

Longwormen

Uitbraken van longwormziekte treden vooral op in de tweede helft van het weideseizoen.

Hoe later de kalveren naar buiten komen hoe kleiner de kans dat ze zich met overwinterde larven besmetten.Een klein deel van de koeien is uitscheider van longworm, vooral in het voorjaar. De larvenuitscheiding via de mest is dan altijd laag.

Larven die via de mest op de wei terecht komen ontwikkelen zich binnen een week tot besmettelijke larven, dus veel sneller dan bij maagdarmwormen.

Deze besmettelijke larven sterven snel weer af en in de zomer is binnen twee weken vaak al 90 % gestorven. Ook dit is veel sneller dan bij maag-darmwormen.

Vanaf drie weken na besmetting verschijnen de larven in de mest.

Ziekte kan al optreden na een besmetting met enkele honderden larven. De verschijnselen kunnen optreden vanaf twee weken na een zware besmetting.

Er wordt binnen enkele maanden na de eerste besmetting een weerstand opgebouwd. Deze weerstand kan weer verdwijnen als infecties gedurende meer dan een half jaar uitblijven, ook als dieren gevaccineerd zijn.

Runderen moeten dus de besmetting waarschijnlijk keer op keer doormaken om weerstand te ontwikkelen tegen longworm en deze weerstand te onderhouden.

Preventieve maatregelen

De snelle ontwikkeling van in de mest uitgescheiden larven tot besmettelijke larven betekent dat er geen praktische beweidingsmaatregelen ter bestrijding van longwormziekte kunnen worden aanbevolen.

Er kan gevaccineerd worden tegen longworm. Hierbij wordt bij kalveren op stal twee maal, met een tussenpoos van 4 weken, een flesje met bestraalde larven ingegeven. Het tweede flesje moet minimaal 2 weken voor het naar buiten gaan worden gegeven. Deze vaccinatie is nog steeds de beste garantie dat kalveren met longworm in aanraking komen.

Vooral bedrijven met een historie van longwormziekte dienen een advies om te vaccineren tegen longworm op te volgen.

De meeste longwormmiddelen voor de bestrijding van maagdarmwormen zijn ook effectief tegen longworm. Toepassing van op deze wormmiddelen gebaseerde systemen van bestrijding geeft echter geen garantie voor de opbouw van weerstand tegen longworm.

Wanneer niet gevaccineerd wordt en geen langwerkend systeem (bolus, behandeling op 0 en 8 weken met langwerkend wormmiddel) tegen maagdarmwormen wordt toegepast, dienen de kalveren zeer regelmatig op hoesten gecontroleerd te worden. Zodra ze gaan hoesten moet behandeld worden met bij voorkeur een langwerkend middel. Indien behandeld wordt met een kortwerkend wormmiddel is het verstandig de kalveren tevens te verweiden of op te stallen.

Bron: www.gddeventer.com

TOP